na WOII
Aanvankelijk was dit een ziekenhuis voor oude vrouwen in de Berlaarstraat. Het godshuis verhuisde naar Begijnhofstraat nrs. 34 tot 42 tussen 1763 en 1778.
Het was bedoeld om bedevaarders van buiten de stad te herbergen. Het bevond zich in het 'Messenstraatje' tegen de Nete. Het omvatte twee werkmanswoningen en een kamer voor arme reizigers. In 1838 werd het door de hospiciën aan de stad afgestaan, afgebroken en vervangen door een loskaai. Stockmans noemt ook het Sint-Jacobsgasthuis als synoniem voor het Rabauwgasthuis.
Aanvankelijk gestart buiten de wallen om vreemde, arme pelgrims onderdak te geven. Vanaf de 13de eeuw vestigden de zusters zich binnen de stad en breidden hun werking uit met het verplegen van zieken. De zusters kregen in 1453 van de bisschop van Kamerijk eerste statuten.
De wolweversgilde richtte zelf een huis op voor de verarmde gezellen, genoemd naar hun patroonheilige. Het huis was bedoeld voor oude, invalide of verarmde wevers. In de 16de eeuw ging het godshuis teniet (troebelen, achteruitgang wolveversgilde, interne onenigheid). De stad verbeurde de goederen van het godshuis in 1767 aan het jongensweeshuis en later behoorde het aan het bureau van weldadigheid.